vrijdag 6 november 2009

Maartje in Congo (6)

Komt er dan nooit een eind aan?

De nevel strekt zich als een deken uit over de heuvels. Langzaam dringen de zonnestralen door tot het landschap en kleine, kleurrijke poppetjes bewegen door de glooiende velden. Kitchanga ontwaakt, mijn collega en ik ook.




Met opgezette ogen en een volle blaas kruip ik uit mijn tent. Het toilet is 50 meter de berg af en kan als rustiek gedefinieerd worden. Een gat in de grond met een dak erboven: een mens heeft toch niets meer nodig?


Afgelopen zondag zijn mijn collega Philippe en ik erop uitgestuurd om 1608 militairen te tellen in het dorpje Mweso. Na vier uur hotsen en botsen in de auto kwamen we aan in Kitchanga. Hier werd ons opgelegd om naar het VN-kamp te gaan, want van daaruit werden de escortes naar Mweso georganiseerd. De zone waar we zouden gaan tellen, was namelijk als ‘rood’ gedefinieerd en dat wil zeggen dat de veiligheidssituatie zodanig is dat wij (blanken) ons niet mogen voortbewegen zonder escortes. Met open armen werden we ontvangen door onze Zuid-Afrikaanse collega’s. "We willen jullie met alle liefde escorteren maar… we hebben geen benzine…" Mmm, probleem…










Echter, dit was niet de enige uitdaging waarmee we geconfronteerd werden bij aankomst in Kitchanga. Een erg verhitte Congolese kolonel stond ons op te wachten langs de kant van de weg. "Kapitein, kapitein, we hebben vannacht in Mweso geslapen en daar hebben we onder de kogels door moeten lopen. We kunnen daar geen telcentrum op gaan zetten, want het is te gevaarlijk." Mmm, probleem nummer 2. Dus, in de auto naar de commandant van de sector; een kolonel die bovenop een berg woont met een groep militairen om zich heen en alle militaire touwtjes in handen heeft. Na een half uur discussiëren, had deze beste man een oplossing. "Dan zetten jullie het centrum toch gewoon op in Kitchanga en beginnen jullie daar met tellen." Zo gezegd, zo gedaan en de volgende 3 dagen zagen we maar liefst 400 militairen passeren.









Echter… de soldaten die zich in Mweso bevonden, konden onmogelijk naar Kitchanga komen. Ze waren immers in operatie en… de militairen die zich in Pinga bevonden (nog een 40 kilometer extra naar het Noorden) konden al helemaal niet komen want die waren zwaar in gevecht. Toch moesten ze geteld worden en daar stonden we dus voor een aardig dilemma. Met alle vrouwelijke charmes die ik naar boven kon toveren in mijn zakkerige camouflagepak en mijn vettige haren en smerige handen, kreeg ik het voor elkaar dat we 200 liter benzine kregen van de militaire observers die zich ook in het gebied bevonden. Die gaven we aan de Zuid-Afrikanen zodat de escortes naar Mweso georganiseerd konden worden, wat betekende dat we ons centrum in Mweso konden opzetten. De commandant van de sector beloofde ons plechtig dat het de komende dagen rustig zou blijven in Mweso, dus… aanvang tellen. Het centrum werd opgezet en de 3 volgende dagen zagen we maar liefst 500 militairen passeren

Het probleem Pinga bleef bestaan. De enige oplossing was het team in tweeën op te delen. Vier computers in Mweso en vier computers in Pinga.
Omdat Pinga toch echt te gevaarlijk was voor ons blanken, werden alleen de Congolezen erop uitgestuurd, met als escorte het Congolese leger.

Omdat er in deze uithoek geen ontvangst was op de telefoon, had ik mijn satelliettelefoon meegegeven aan de verantwoordelijke van het team. "Bel me elke dag om 2000 uur. Ik ga boven op de berg staan zodat ik hopelijk ontvangst heb en jij gaat me vertellen hoe de zaken ervoor staan." Je raadt het al… Als een idioot stond ik met mijn telefoon in de lucht op de berg maar geen bericht… In Congo betekent geen bericht helaas niet goed bericht, dus twee dagen later kwam er een boodschapper aan in het centrum in Mweso. "Kapitein, ik heb net vernomen dat het voertuig van het Pinga-team een ongeluk heeft gehad en ze niet terug kunnen komen." Mmm, probleem nummer 3.

In volle vaart ben ik dus maar weer de berg opgereden om met Goma te bellen. "Stuur me een nieuw voertuig, want mijn team zit vast in de jungle en ze kunnen niet terugkomen." Dankzij de geweldige ondersteuning van Goma, kreeg ik te horen dat het vervangingsvoertuig twee uur later zou gaan rijden. Helemaal gelukkig reed ik terug naar het centrum in Mweso… om daar te horen te krijgen dat niet alleen het Pinga-voertuig kapot was, maar ook het Mweso-voertuig. De berg maar weer op en de telefoon in de lucht. "Zeg, ik heb jullie net gebeld om te vragen om een voertuig te sturen… Doe er maar twee…"Een beetje gedesillusioneerd maar voldaan reed ik terug naar ons centrum, om daar tot mijn grote verrassing het Pinga-voertuig en het Pinga-team te zien. Huh???? Schijnbaar was het Pinga-voertuig in een modderpoel gereden, daar omgevallen en vervolgens door het gehele dorp weer op zijn wielen gezet. De olie was eruit gelopen, maar… het bleek dat palmolie een prima vervanger is voor motorolie.


Nadat de laatste militair eindelijk geteld was -ik had ondertussen al tien keer gehoord dat de laatste militair aangekomen was en begon een beetje de moed te verliezen: komt er dan nooit een einde aan?- namen we het Mweso-voertuig op sleep en begonnen we aan onze terugtocht naar Ktichanga. Gelukkig zijn de Congolese sleepkabels van goede kwaliteit en de kabel is slechts 3 keer gebroken tijdens onze reis terug. Wat wil je ook met wegen die ervoor zorgen dat een koe geen melk meer geeft maar netjes geklopte slagroom? Bij aankomst in Kitchanga dacht ik eindelijk even rust te hebben, maar een wijze Congolees heeft ooit gezegd: "als je denkt dat de situatie niet erger meer kan worden, wordt het echt nog erger."

De chauffeur van het voertuig dat het Mweso-voertuig sleepte, besloot bij aankomst in Kitchanga even een goeie dot gas te geven. Daar kwamen we erachter dat de remmen van het Mweso-voertuig de geest hadden gegeven. De bewoners van het kleine huisje dat maximaal gecrushed werd, kwamen daar helaas ook achter… Zo stond ik dus op zondagavond in Kitchanga. Er was me beloofd dat er de volgende dag slechts 35 extra militairen zouden komen en dat we aan drie computer genoeg zouden hebben. We moesten echt om 1200 uur weg uit Kitchanga om voor het donker terug te zijn in Goma. De computers moesten gereviseerd worden, want twee dagen later moesten ze op transport naar de volgende bestemming. Waarom was ik niet verbaasd toen er bij dageraad 96 militairen aan de poort stonden te dringen…???

Toch, eind goed, al goed. Maandagavond stopte ik om 18.00 uur de sleutel in het slot van ons appartement. Halelujah… Eindelijk douchen en normaal eten! Oh ja, dat was ik jullie nog vergeten te vertellen. Van de luxe die we bij de Indiërs hadden ontvangen, was bij de Zuid-Afrikanen geen sprake. De tent en de rustieke WC waren nog lang niet het ergste. Wat was dan wel het ergste? De koude rijst die we elke avond te eten kregen als we ‘thuis’ kwamen… Onze Zuid-Afrikaanse vrienden aten namelijk al om 17.00 uur en wij waren tegen die tijd nog lang niet thuis. Gelukkig waren ze wel zo vriendelijk om elke avond wat voor ons over te houden. Echter, omdat er geen elektriciteit (!!!) was in het kamp, konden we ons hapje niet even in de magnetron stoppen dus er was geen andere optie dat het gewoon maar koud op te peuzelen. EN IK WAS DIE RIJST AL ZO ZAT!!!

Nu mag ik me 3 dagen volproppen met allerlei lekkers, mag ik douchen (er was ook geen stromend water) en in een normaal bed slapen. Zaterdagochtend om 0500 uur gaat de boot en gaan we op naar onze volgende uitdaging: Nindja (de naam voorspeld al niet veel goeds). 5 November kom ik pas weer thuis… We gaan 17 dagen logeren bij de Pakistani en ik vraag jullie nu allemaal te duimen: Laat het daar alsjeblieft iets minder rustiek zijn!!! Tot de volgende keer en hartelijke groeten uit Congo!










Maartje in Congo (5)

Van Afrika naar India en terug

Goma, vrijdagavond, half acht. Onderuit gezakt zit ik achter mijn computer naar het plafond te staren en de afgelopen week te overpeinzen. Wat heb ik een hoop meegemaakt en wat ben ik van het ene uiterste in het andere gelanceerd!


Met nog halfdichte slaapoogjes ben ik vorige week zaterdagochtend om half zes met de benodigde spullen in een jeep gestapt. Op naar Kiwanja, waar 1216 militairen langs zouden komen om zich te laten registreren en fotograferen. Sinds de oorlog in Congo is ‘afgelopen’ in januari 2008, zijn deze militairen in grote getale in het nationale leger geïntegreerd. Niemand heeft echter een idee hoeveel het er zijn, waar ze zijn of wat voor rang ze hebben. Omdat deze mensen op papier nog niet bestaan, krijgen ze ook geen salaris. Geen salaris betekent geen eten en omdat dat toch ’s mens eerste levensbehoefte is, trekken ze al plunderend (en verkrachtend) voorwaarts en terroriseren het ene na het andere dorpje in het Oosten van Congo.




Om hier paal en perk aan te stellen, zijn wij aan het tellen geslagen en gaan we straks biometrische identiteitskaarten uitdelen, waarmee een individu zich aan de hand van een foto en een vingerafdruk kan identificeren en zijn maandelijkse centen kan gaan ophalen. De afgelopen week is een groot gedeelte van hen uit de brousse tevoorschijn gekomen om zich in het computersysteem vast te laten leggen. Ik heb mijn ogen uitgekeken…


Om de stabiliteit in Congo te bewaken, is de VN hier met een grootmacht van 17.000 man aanwezig. Overal door het land (maar voornamelijk in het Oosten) zijn er vooruitgeschoven kampen met soldaten, van waaruit geregeld patrouilles gereden worden om te kijken of iedereen zich nog wel koest houdt en om aan te tonen dat de VN steeds een oogje in het zeil houdt. In Kiwanja, waar wij gingen tellen, ligt een Indisch vooruitgeschoven kamp. Met open armen werden we ontvangen. Willen jullie hier slapen? Geen probleem! Willen jullie hier eten? Ook geen probleem! We zullen ’s nachts zelfs jullie tenten bewaken zodat er geen computers gestolen worden. Fantastisch, die Indische gastvrijheid!














Zondagochtend presenteerde de eerste groep zich. Zwetend in hun veel te warme uniformen en omgehangen met Kalashnikovs en granaten uit het jaar nul, springen ze uit de legertrucks. Met lege ogen staan ze in groepjes bij elkaar te roken en te wachten tot ze langs de computer mogen passeren, een apparaat wat velen van hen nog nooit gezien hebben. Ongelooflijk en hartverscheurend, wat een stoet. Grof ingeschat bestond 10% van hen uit kindsoldaten, die geboren zijn in het leger en hun moeder wel aan kunnen wijzen, maar geen idee wie de vader zou kunnen zijn. Onder deze kinderen zaten ook meisjes van een jaar of 15, die zich met twee kinderen aan de hand kwamen presenteren om zich te laten registreren. Uiteraard is dat niet de bedoeling, dus hebben wij contact opgenomen met Save the Children, die deze kinderen uit het leger haalt en hun een opleiding en ‘thuisbasis’ biedt. Daarnaast is het echt verschrikkelijk om te zien hoeveel van deze militairen geen tanden meer hebben, een aantal vingers missen (lastig bij het nemen van de vingerafdrukken), met een stok komen aanhobbelen of de meest verschrikkelijke littekens in het gezicht of op de hals hebben hebben. Ik durf wel te beweren dat deze mensen echt weten wat ongeluk is…

De eerste dag had ik het moeilijk met deze poel ellende. Gelukkig konden we terecht bij onze Indiase vrienden, waar de zaken er gemoedelijk en vreedzaam aan toegingen. Of toch niet??? Net op de dag dat wij aankwamen, begon de feestweek voor de Indiase god Ranash (?) en dat heugelijke feit moest gevierd worden met het ritueel slachten van een geit. Eerst een hoop gezang, gedans en lekker eten, waarna er met veel overgave een geit van haar kop gescheiden wordt... Tsja, zo pik je een stukje Indiase cultuur mee in het midden van Afrika.










De daarop volgende dagen droogde de stoet militairen langzaamaan op tot er druppelsgewijs een of twee per uur langs kwam lopen. Daar moest actie op genomen worden. We hadden maar 4 dagen en wel 1216 militairen te registreren. Onder begeleiding van de VN zijn we dus op bezoek gegaan bij de hoogste bazen van dit verhaal: kolonel Thibangu (33 jaar) en kolonel Jav (36 jaar). Tijdens dit bezoek werden ons veel mooie beloften gedaan -ja, natuurlijk is het belangrijk dat onze militairen geregistreerd worden -ja, natuurlijk zullen we ervoor zorgen dat ze de komende dagen langs komen- ja, het is onze taak als leiding om dat te regelen- liepen we weer naar buiten. We moeten maar afwachten hoeveel ervan terechtkomt.

Uiteindelijk hebben we 735 soldaten geregistreerd. Lang dus niet de 1216 die waren opgegeven door de legerleiding en we hebben dus maar liefst 500 fantoomsoldaten ontmaskerd. Militairen die wel waren opgeven zodat er geld voor uitgekeerd zou worden, maar die uiteindelijk gewoon niet bleken te bestaan.

Volgende week maandag vertrek ik naar de volgende site om daar het tellen te monitoren. Deze keer ga ik bij de Zuid-Afrikanen logeren, ben benieuwd of die ook elke avond zo’n mooi feest hebben!

Maartje in Congo (4)

Een grote verrassing

Het is nu kwart over acht. Ik ging om half vijf in de vergaderzaal zitten en gedurende al die tijd is er op sneltreinvaart informatie op me afgevuurd over de operatie van de legertellingen waar we morgen mee gaan beginnen. Stoom spuit uit mijn oren en ik ben zelfs zo overdonderd door het Frans dat ik een CD van Jan Smit (!!) heb opgezet om wat Nederlands te horen.

Morgenochtend om zes uur vertrek ik met mijn rugzak, slaapzak, extra camopakken en een computer het veld in. Wij zijn als EUSEC-medewerkers aangewezen om als controleurs op te treden bij de grote legertelling die vanaf morgen begint en ongeveer de hele maand oktober in beslag zal nemen.


Wat we daarbij precies moeten controleren? Je kan het zo gek niet bedenken, maar als ik de briefings moet geloven, moeten we echt elke beweging van onze Congolese counterparts in de gaten houden. Zijn degene die geteld worden wel ouder dan 18 jaar, maar hou daarbij wel in de gaten dat ze jonger zijn dan 75 jaar. Zorg ervoor dat de mensen die geteld worden niet achter aan de rij weer aansluiten en zich opnieuw laten tellen zodat ze twee keer soldij ontvangen. Hou de tijdsplanning in de gaten, zodat er 40 mensen per dag geteld worden en we binnen een maand klaar zijn. Ga zo maar verder! Ik heb verhalen gehoord van soldaten die gauw in de bosjes hun uniform omwisselen en dat aan hun vrouw geven zodat die ook nog een keer geteld wordt en de familie een dubbel soldij ontvangt. Ik ben dus heel erg benieuwd waar we deze week mee geconfronteerd zullen worden, maar ik verwacht wel dat ik in mijn volgende blog wat mooie verhalen kan neerpennen.
Mijn voorganger heeft ondertussen het land verlaten en ik ben in mijn appartement getrokken. Bevalt me erg goed, moet ik zeggen. Ik heb een aantal foto's bijgevoegd van mijn nieuwe onderkomen zodat jullie een beetje een idee hebben hoe ik hier woon.







Hoogtepunt van vorige week was het bezoek van 26 (!!) ambassadeurs aan Goma. In een hele colonne met escorte (ik mocht in de politiewagen meerijden) hebben we de belangrijkste plekken in de stad gezien. Nou heb ik toch aardig wat gereisd de afgelopen jaren, maar zo'n rotzooi als hier heb ik echt nog nooit gezien. We zijn door de 'kazerne' gereden van de brigade die hier in Goma gelegerd is. Echt pure miserie. Honderden en honderden plastic tentjes van 4 vierkante meter waar hele families in wonen. Het kamp waar wij doorheen zijn gereden had de oppervlakte van 5 voetbalvelden met maar liefst 9000 inwoners.

Volgende stop was de gevangenis die voor 100 mensen is gebouwd, maar waar 800 gevangen zitten. De straten zijn compleet overcrowded en het verkeer krioelt door elkaar, het heeft nog het meeste weg van een mierenhoop. Het is nu het regenseizoen in Goma en als het regent... nou, dan regent het ook echt. Alleen al het kleine stukje van het appartement naar de auto zorgt voor een volledig nat pak en de wegen veranderen in kolkende modderpoelen. Na zo'n regenbui komt er een stank vrij... niet te harden!!!















Ik ga komende week in een Indiaas compound logeren in het midden van de bush. Boeken en een laptop mee. (Ik verwacht niet dat ik toegang zal hebben tot het Internet).



Maartje in Congo (3)

Geschiedenis en doel van deze missie

De afgelopen week is een grote rollercoaster geweest met briefings, werkoverleg, indrukken en handje schudden. Ik heb in Kinshasa een spoedcursus ‘moderne geschiedenis van Congo’ gekregen en ben overspoeld met Powerpoint-presentaties over het doel van onze missie EUSEC. Erg interessant en voor de liefhebbers zal ik in de volgende alineas beschrijven wat precies het idee is achter onze aanwezigheid hier.


Na een gruwelijke burgeroorlog van vijf jaar, is er sinds 2004 een relatieve vrede in Congo. Met het tekenen van het vredesakkoord tussen de verschillende troepen, werd ook besloten de internationale gemeenschap te vragen een grote rol te spelen in de wederopbouw van het land. Hierop reageerden de Verenigde Naties door het sturen van een grote stabilisatiemacht: MONUC (Mission de l’Organisation des Nations Unies au Congo). Op dit moment nog steeds de grootste VN-operatie ter wereld. In de Congolese regering rees ook de vraag aan de internationale gemeenschap om te helpen met de opbouw van een eigen veiligheidsorganisatie (het leger, politie en justitie) om het land te kunnen verdedigen tijdens haar herrijzenis uit de ellende na de oorlog. De Europese Unie is op deze vraag ingegaan en op 2 mei 2005 kwam de missie EUSEC (European Security) aan in Congo.

Deze missie moest de totstandkoming van het nieuwe, geïntegreerde Congolese leger (FARDC) ondersteunen. De FARDC, het gouvernementsleger van Congo, is een geïntegreerd leger. Alle rebellenbewegingen die tijdens de burgeroorlog actief waren en door het vredesakkoord met de witte vlag zijn gaan zwaaien, zijn vermengd met het oorspronkelijke gouvernementsleger. Zo kreeg elke brigade een groep mensen van diverse bewegingen ( Mai Mai- beweging, soldaten van de ex-CNDP en vele anderen). Wat er uiteindelijk ontstond, was een grote mierenhoop in groene uniformen met geweren om hun nek waar niemand meer van wist waar ze vandaan kwamen, hoe ze heetten, wat voor rang ze hadden enzovoort.

Hier is EUSEC op ingesprongen door een grote operatie op poten te zetten om die soldaten te gaan tellen en op te slaan in een grote database in Kinshasa. Hieruit is een club van 120.000 militairen gekomen. Nu eindelijk het exacte aantal militairen bekend was, kon de regering ook de juiste hoeveelheid geld vrijmaken om die mensen te betalen. Efficiënt, zou je denken! Echter, de rebellengroepering CNDP van de beruchte generaal Laurent Nkunda heeft zich pas op 22 januari 2009 overgegeven. Na deze overgave zijn zijn soldaten allemaal in het Congolese leger gemixt en gestationeerd over het hele land, maar voornamelijk in het Oosten tegen de grens met Rwanda. Deze militairen zijn nog niet geteld, staan niet in de database en krijgen dus ook geen centjes.

Daar die mensen toch ook moeten eten, gaan zij al plunderend door het land om aan voedsel te komen. Dat is de reden waarom ik eerder sprak over een relatieve vrede: de FARDC, het gouvernementsleger, krijgt slecht betaald en grijpt terug op primaire manieren om toch aan eten te komen. Het gedeelte van de missie EUSEC waar ik nu deel vanuit maak, houdt zich bezig met deze betalingen. Wij betalen niet, maar we zijn wel aanwezig bij de betalingen om te kijken of alles goed gaat en er links en rechts niet teveel verdwijnt naar plekken waarvoor het niet bestemd is. Wij trekken dus het land in met onze jeeps of onze helikopter om de betalingen te controleren of om een praatje te gaan maken met de brigadeleiding om te vragen of er goed betaald is en alles naar wens verloopt. Waar ik me echter vanaf morgen intensief mee ga bezig houden, is de telling van de nieuwe geïntegreerde soldaten. Ik ga volgende week samen met mijn chef naar het Noordoosten van het land, waar we helpen met het tellen en registeren van zo ongeveer 7500 militairen, zodat zij ook in de database terecht komen en de regering geld voor hun vrijmaakt en hun kan uitbetalen.

Maartje in Congo (2)

Basiskamp en het dorp Goma

Ik ben blij dat dit maar een tijdelijk onderkomen is. Weer een tijdelijk onderkomen? Maar ik zou toch in Goma gaan wonen en daar blijven ?
Dat is waar, maar ik ben er afgelopen week achter gekomen dat mijn appartement een basis is, van waaruit ik veel door het land zal gaan reizen om mijn werk als ‘conseiller brigade’ te gaan uitvoeren. Een wekker is hier niet nodig. Ik heb een gezellige kippenfamilie onder mijn raam scharrelen en de patriach van dit gezin begint om half vijf ’s ochtends zijn keel te smeren. Zucht…

Ik woon hier in een appartement samen met een Franse onderofficier. Wij zijn een werkteam en gaan straks na de tellingen samen het land in om bij de brigades op bezoek te gaan. We hebben een grote huiskamer waar we werken en daarnaast een keuken, een badkamer en een prachtige veranda. Op het compound waar het appartement staat, ligt nog een villa waar we eten en zijn er nog twee andere appartementen van mijn chef de mission en zijn opvolgend. Daarnaast is hier nog iemand die zich bezighoudt met het genderprobleem in Congo. We wonen dus met z’n vijven op dit kamp met een grote muur met prikkeldraad er omheen en evenveel bewakers als bewoners. Ik heb mijn eigen 4x4 en kan me buiten de poort veilig voortbewegen in mijn enorme auto.


De stad Goma heeft maar liefst 1 miljoen inwoners en toen ik hier aankwam, heb ik echt mijn ogen uitgekeken. Het leven gebeurt echt op straat en zelfs als het regent (en dat doet het hier… HARD!!!) en alles in een kolkende modderpoel verandert, lopen ze toch vrolijk over straat. De dag na mijn aankomst hier in Goma, zijn we meteen de brousse ingegaan en heb ik aardig wat van de omgeving kunnen zien. De natuur is hier prachtig, bergachtig en erg groen, ze noemen het niet voor niets Afrikaans Zwitserland. De mensen wonen in lemen hutjes en als ze het ergens goed gedaan hebben, bezitten ze een houten huisje. Als we langs rijden, worden we getrakteerd op een gejoel ‘MONUC, MONUC, biscuit, biscuit’. Schijnbaar heeft de VN in het begin erg veel koekjes uitgedeeld en nu is iedereen die in een witte auto rijdt van de MONUC en is automatisch een rijdende koekjesfabriek!


Op sociaal gebied is er hier ook nog wel een en ander te beleven. Het stikt van de Non Gouvernemental Organisations (zoals Rode Kruis, Cordaid enz…) en er zijn een hoop mensen van ambassades aanwezig in dit gebied. Zij klieken allemaal samen in de vijf restaurants en drie clubs die Goma rijk is en dat is erg gezellig. De Nederlandse gemeenschap is hier echter heel klein en buiten een jongen van de ambassade en twee mensen van een NGO, ben ik hier nog geen landgenoten tegengekomen. Nou ja, Nederlanders zijn overal, dus er zullen er vast nog wel een aantal verstopt zitten. Op het MONUC-compound zit een grote gym, waar op maandag, dinsdag en donderdag aerobics wordt gegeven, dus ik kan zelfs aan mijn conditie werken hier. Spinnen is helaas onmogelijk aangezien er maar 3 fietsen staan… Ik werk elke dag van 9 tot 5, maar als ik op missie ben naar een van de brigades, maak ik wel langere dagen. Zaterdag is een halve werkdag en zondag zijn we vrij. Prima dag om een stukkie te schrijven en dat ga ik vanaf vandaag ook elke zondag proberen te doen.

Maartje in Congo (1)

Vertrek uit Nederland en aankomst in Congo

Ik heb net weer contact gehad met mijn voorganger, kapitein van de landmacht Lodewijk Grooters, die mij met een welkomstcomité zal ontvangen. Hij vertelt enthousiast over de missies die hij in het land uitvoert als hij op bezoek gaat bij de brigades, waardoor het bij mij toch steeds meer begint te kriebelen. Hij heeft mij ook de contactgegevens doorgemaild.

Mijn reis begint op 12 september 2009 op Schiphol , van waaruit ik op een zeer vroeg tijdstip naar Parijs vlieg. Na een verschrikkelijk koude vliegreis (ik moest drie lagen kleding aantrekken om niet te bevriezen), zijn we rond een uurtje of 6 in Kinshasa , de hoofdstad van de Democratische Republiek Congo, geland. Daar stond iemand klaar met een bordje Maartje van der Maas en voor ik het wist, zat ik op een terras tegenover mijn collega in het heerlijk warme Congo.

De komende dagen blijf ik nog in de hoofdstad. 16 september zal ik pas naar Goma vliegen. Reden hiervan is dat alle administratieve zaken hier geregeld moeten worden: pasjes, veiligheidsbriefings, kennismaken met collega’s enz… Ik heb hier een kamertje in een compound met villa’s uit het koloniale tijdperk: heel netjes en met een kok, schoonmaker en bewaking. Wat wil een mens nog meer?

Vandaag heb ik een rondleiding gehad door de stad. Indrukwekkend, maar nog niet heel anders dan dat ik op mijn eerdere reizen door Afrika heb gezien. Ik ben benieuwd naar Goma, maar daar zal ik jullie vanaf donderdag meer over kunnen vertellen.

De post zal niet al te snel gaan, want het gaat van Utrecht naar Kinshasa en moet van daaruit meegenomen worden door degene die toevallig richting Goma gaat. Pakketjes mogen maximaal 2 kg wegen en er mag absoluut geen vloeistof inzitten, want dan worden ze zonder pardon geweigerd.

woensdag 21 oktober 2009

Wist je dat...(14)

Wist je dat....Bevoorrading op Zee (BOZ)

In de laatste paar nummers hebben we het in deze rubriek steeds gehad over de verschillende neventaken die de bemanning van een fregat kan hebben. Wat je bij calamiteiten en andere bijzondere situaties moet doen, staat per persoon aangegeven op de ‘rollenkaart’. Sommige rollen worden vooral geoefend voor-het-zeer-onwaarschijnlijke-geval-dát. De verlaatrol is hier een voorbeeld van, waarbij het gaat om het verlaten van een zinkend schip. Andere rollen zijn een stuk realistischer, of zelfs aan de orde van de dag. In de West, waar veel wordt gepatrouilleerd door het stationsschip dat daar ligt, is het minstens twee keer per dag helikopterrol! Een andere rol die ook regelmatig ‘in het echt’ wordt uitgevoerd, is de BOZ-rol: Bevoorrading op Zee. Omdat het hier meestal gaat om het verplaatsen van grote hoeveelheden brandstof van het ene schip naar het andere, is zorgvuldigheid van het grootste belang. Effe bijtanken? Zo simpel is het dus niet!

“BOZ-rol op post! BOZ-rol op post! Temperatuur van het zeewater: elf graden.” De mensen die buiten betrokken zijn bij de BOZ-rol – aan dek zijn dat natuurlijk vooral de nauten – trekken hun ‘penenpak’ aan, een knaloranje overlevingspak waarin je het wel een poosje volhoudt als je in het water terecht zou komen. Is het zeewater vijftien graden of warmer, dan mag het penenpak uitblijven.

Dicht bij elkaar


Ondertussen worden op de brug allerlei procedures in gang gezet. Nauw vaarwater, bijvoorbeeld, omdat het fregat heel dicht naast de bevoorrader moet gaan varen. De officier van de wacht gaat druk in de weer met zijn checklijst, om het schip gereed te maken voor de bevoorrading straks. De brug stroomt vol met ‘veiligheidsfunctionarissen’ zoals de commandant, de navigatie-officier en het Ondergeschikt Hoofd Technische Dienst die de motoren in de gaten houdt Er mag natuurljik niets mis gaan als je zo dicht naast een ander schip vaart. Als iedereen op post is en z’n ding heeft gedaan, gaat het schip op ongeveer 1000 yards – zo’n 900 meter – achter de bevoorrader liggen wachten totdat die het sein geeft dat alles in orde is.

Wanneer dat op een gegeven moment het geval is, geeft de bevoorrader met een vlag aan dat hij het fregat langszij kan ontvangen. Dat wil zeggen dat de bemanning aan dek er klaar voor is, de olielaadplaats bezet is, dat de slangen zijn doorgeblazen, klaar om te gaan pompen. En als het zover is, laat ook het fregat met een vlaggetje zien dat het klaar is om langszij te komen.

Lijntjes over en weer

Uiteindelijk komen de twee schepen op een afstand tussen de 40 en 60 meter van elkaar te liggen, en die afstand moeten ze ook zien te bewaren: dichterbij is te link, maar als het fregat te ver ligt, komt er zoveel spanning te staan op het olielaadtuig dat het zou kunnen knappen! Nadat er wat eerste lijntjes over en weer zijn geschoten – onder andere een afstandslijn waardoor de officier van de wacht steeds in de gaten kan houden hoe ver de schepen van elkaar vandaan liggen – komen de twee schepen met een zware stalen lijn, de jackstay, aan elkaar te zitten. Langs díé kabel gaat er uiteindelijk een olieslang van de bevoorrader naar het fregat.

De hele nautische dienst is er ondertussen op voorbereid om de slang van de bevoorrader te ontvangen. Is dat eenmaal gelukt, dan gaat op het fregat de ‘probe’, oftewel het uiteinde van die slang, in de ‘kelk’, en vervolgens is het een hele tijd pompen. Heeft het fregat lang niet getankt, kan dat soms wel twee uur duren. Wanneer het schip voldoende brandstof heeft, gaat de probe uit de kelk en worden alle lijntjes, slangen en kabels weer losgekoppeld.

Ook eigen bevoorraders

Je zou misschien denken dat zo’n bevoorrader na twee uur pompen zelf ook wel een keer leeg moet zijn. Maar zo werkt het dus niet. Bevoorradingsschepen zijn enorme schepen met geweldige voorraden brandstof aan boord. Vaak varen ze gewoon rond op zee, want er zijn natuurlijk wel meer schepen die af en toe moeten tanken. Als fregat kun je bijvoorbeeld ook van te voren afspreken met een bevoorrader dat je allebei op een bepaald moment op een bepaalde plaats zult zijn. Ook de Koninklijke Marine heeft twee bevoorradingsschepen: Hr.Ms. Amsterdam en Hr.Ms. Zuiderkruis, waarvan er vaak wel een meegaat als er in groter verband wordt gevaren. Want deze gigantische bakbeesten mogen dan qua wapentechniek niet te vergelijken zijn met de moderne fregatten, maar mooi dat ze wél iets in huis hebben waar geen enkel schip zonder kan: brandstof!

Oktober 2008